Niederländisch » Deutsch

zwij·ger <zwijger|s> [zwɛiɣər] SUBST m

zui·ger <zuiger|s> [zœyɣər] SUBST m

1. zuiger (deel van een cilinder):

Kolben m

2. zuiger (baggermachine):

rei·ger <reiger|s> [rɛiɣər] SUBST m

zwa·ger <zwager|s> [zwaɣər] SUBST m

stei·ger <steiger|s> [stɛiɣər] SUBST m

1. steiger (aanlegplaats):

Steg m

zee·wier <zeewier|en> [zewir] SUBST nt

2. zeewier (zeegras):

krij·ger <krijger|s> [krɛiɣər] SUBST m

slin·ger <slinger|s> [slɪŋər] SUBST m

2. slinger (versiering):

5. slinger (werptuig):

6. slinger (van een uurwerk):

Pendel nt

Seite auf Deutsch | English | Español | Italiano | Polski