Niederländisch » Deutsch

ver·ha·len1 <verhaalde, h. verhaald> [vərhalə(n)] VERB trans (zich schadeloosstellen)

ver·ha·ren <verhaarde, i. verhaard> [vərharə(n)] VERB intr (de haren verliezen)

ver·han·gen2 <verhing, h. verhangen> [vərhɑŋə(n)] VERB trans (elders, anders (op)hangen)

ver·har·ding <verharding|en> [vərhɑrdɪŋ] SUBST f

2. verharding (waarmee verhard is):

Belag m

3. verharding (het hard worden):

verharding ook übtr

4. verharding (verharde plaats):

ver·han·de·len <verhandelde, h. verhandeld> [vərhɑndələ(n)] VERB trans

1. verhandelen (handeldrijven in):

handeln mit +Dat
handeln in +Dat

2. verhandelen (omzetten, ge- en verkocht worden):

ver·he·len <verheelde, h. verheeld> [vərhelə(n)] VERB trans


Seite auf Deutsch | English | Español | Italiano | Polski