Niederländisch » Deutsch

ran·ge·ren <rangeerde, h. gerangeerd> [rɑnʒerə(n)] VERB trans

ge·han·gen VERB

gehangen volt. deelw. van hangen¹, hangen²

Siehe auch: hangen , hangen

han·gen1 <hing, h. gehangen> [hɑŋə(n)] VERB trans (bevestigen, ophangen)

aan·han·gen1 <hing aan, h. aangehangen> [anhɑŋə(n)] VERB trans

2. aanhangen (door hangen bevestigen):

rang·te·ken <rangteken|s> [rɑŋtekə(n)] SUBST nt

af·han·gen <hing af, h. afgehangen> [ɑfhɑŋə(n)] VERB intr

1. afhangen (naar beneden hangen):

be·han·gen <behing, h. behangen> [bəhɑŋə(n)] VERB trans

1. behangen (bedekken):

2. behangen (met behang bekleden):

be·van·gen <beving, h. bevangen> [bəvɑŋə(n)] VERB trans

ont·van·gen1 <ontving, h. ontvangen> [ɔntfɑŋə(n)] VERB trans

1. ontvangen (innen, krijgen):

2. ontvangen (bij zich toelaten):

4. ontvangen (bevrucht worden):


Seite auf Deutsch | English | Español | Italiano | Polski