Niederländisch » Deutsch

ont·vangst <ontvangst|en> [ɔntfɑŋst] SUBST f

2. ontvangst (het innen van geld):

3. ontvangst (het opvangen van signalen):

5. ontvangst (onthaal):

6. ontvangst (receptie):

ont·van·gen1 <ontving, h. ontvangen> [ɔntfɑŋə(n)] VERB trans

1. ontvangen (innen, krijgen):

2. ontvangen (bij zich toelaten):

4. ontvangen (bevrucht worden):

ont·van·ger <ontvanger|s> [ɔntfɑŋər] SUBST m

2. ontvanger (ambtenaar):

3. ontvanger RADIO (toestel):

ont·van·ke·lijk <ontvankelijke, ontvankelijker, ontvankelijkst> [ɔntfɑŋkələk] ADJ

on·troost·baar [ɔntrostbar] ADJ

angst·val·lig <angstvallige, angstvalliger, angstvalligst> [ɑŋstfɑləx] ADJ


Seite auf Deutsch | English | Español | Italiano | Polski