Niederländisch » Deutsch

ge·lof·te <gelofte|n, gelofte|s> [ɣəlɔftə] SUBST f

1. gelofte (plechtige belofte):

2. gelofte rel.:

geld·boe·te <geldboete|n, geldboete|s> [ɣɛldbutə] SUBST f

ge·lo·vi·ge <gelovige|n> [ɣəlovəɣə] SUBST m en f

ge·loei [ɣəluj] SUBST nt geen Pl

1. geloei (geluid van runderen):

Muhen nt

2. geloei übtr (gejoel, geschreeuw):

3. geloei (storm, wind, vuur):

Heulen nt

ge·lo·ven2 <geloofde, h. geloofd> [ɣəlovə(n)] VERB trans

ge·lo·pen VERB

gelopen volt. deelw. van lopen¹, lopen², lopen³

Siehe auch: lopen , lopen , lopen

lo·pen3 <liep, h./i. gelopen> [lopə(n)] VERB intr

10. lopen (blootgesteld worden aan):

11. lopen (geschikt zijn om op, in te lopen):

lo·pen2 <liep, h. gelopen> [lopə(n)] VERB trans (deelnemen aan)

lo·pen1 <liep, h./i. gelopen> [lopə(n)] VERB unpers ww (naderen)

ge·flo·ten VERB

gefloten volt. deelw. van fluiten¹, fluiten²

Siehe auch: fluiten , fluiten

flui·ten2 <floot, h. gefloten> [flœytə(n)] VERB intr

2. fluiten (fluitinstrument bespelen):

flui·ten1 <floot, h. gefloten> [flœytə(n)] VERB trans

1. fluiten (geluid voortbrengen):

2. fluiten (als scheidsrechter leiden):


Seite auf Deutsch | English | Español | Italiano | Polski